­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

Lezingen: Jozua 24,1-2a.15-17.18b en Johannes 6,60-69.

Koop ik in de boekwinkel een boek, dan vraag ik vaak of ze er een portie tijd bij kunnen leveren. Daar wil ik dan ook nog wel voor betalen. Want ja, een boek belandt vaak ongelezen op een stapel, als je geen tijd hebt om hem te lezen. In de vakantie is dat natuurlijk allemaal wat anders. Je hebt veel meer tijd en je kunt je moeite geven om de stapel ongelezen boeken in te korten. Helemaal boven op mijn stapel lag het boek met de wat pikante titel ‘Biecht van een kardinaal’. Als we onze fantasie zijn werk laten doen, dan weten we wel wat we denken tegen te komen in een boek met zo’n titel. Maar…dat viel een beetje tegen. De titel was blijkbaar door de uitgever op het boek geplakt om de verkoopcijfers op te stuwen. ‘Biecht van een kardinaal’ – een kardinaal die al gepensioneerd is, laat zijn gedachten gaan over alles wat hij in zijn werkzame leven gedaan en geleerd heeft en hij zet daar kanttekeningen bij. En vaak geeft hij bij de verschillende thema’s aan dat zijn gedachten in de loop der tijden gewijzigd zijn.

Eén hoofdstuk in het boek gaat over de humanitaire crisis die in de jaren negentig heeft plaatsgehad in het Afrikaanse land Rwanda.
Hutu’s en Tutsi’s zijn elkaar te lijf gegaan. Er was sprake van een heuse volkerenmoord. Men schat dat in deze gruwelijke slachting een half miljoen tot een miljoen mensen het leven hebben gelaten. Maar om welke reden gaat de biechtende kardinaal in zijn boek juist in op deze humanitaire crisis? Het is meer dan verschrikkelijk wat toen gebeurde, maar er zijn er toch wel meer aan te wijzen in de recente geschiedenis? Dat klopt, er zijn er meer, maar deze humanitaire ramp wijst hij ook aan als juist een kerkelijk-christelijke crisis.

Rwanda … een Afrikaans land waar heel veel christenen wonen. Veel katholieke missionarissen zijn er in de negentiende en de twintigste eeuw heen gegaan en hebben gepoogd de bevolking te kerstenen. En…met succes. Een heel groot deel van de bevolking is toen rooms-katholiek geworden. Voor het Vaticaan was Rwanda een soort paradepaardje, een heel geslaagd missieland. Een groot percentage van de bevolking rooms-katholiek. Veel mensen die ’s zondags naar de kerk gaan. Veel dopelingen. Veel priesters en religieuzen. Noem alles maar op. Het lijkt erop dat bijna het hele land katholiek is. En dan toch gaat het op zo’n gruwelijke manier helemaal verkeerd. Mensen die elkaars buren zijn en elkaar vaak geholpen hebben op allerhande gebied, mensen ook die samen eucharistie gevierd hebben en elkaar de vrede van Christus hebben toegewenst, komen op een onzalig ogenblik tegenover elkaar te staan en laten alle menselijkheid en medemenselijkheid varen. Een crisis in menselijkheid en medemenselijkheid, maar ook een crisis voor het christelijk geloof en voor de kerk. Je hebt te maken met mensen die jarenlang zeer regelmatig geconfronteerd zijn geweest met de evangelische boodschap over Gods liefde. Ze maken deel uit van die christelijke geloofsgemeenschap, maar die hele boodschap van barmhartigheid en liefde laten ze vallen om elkaar af te slachten. En de kardinaal mijmert: Maar wat heeft dat christelijk geloof daar dan betekend? Wat heeft het betekend dat we zo trots waren op het katholieke succesverhaal van Rwanda? Wat waren die grote aantallen dopelingen, eerste communies, kloosters en kloosterlingen, priesters, waard?

Ja, en dan komt de kardinaal tot zijn conclusie. In de geloofsgemeenschap kom je er niet onderuit te plussen en te minnen. Je moet weten hoeveel geld er in de parochiële kas zit. Je moet weten hoeveel dopelingen er zijn per jaar. En het is mooi dat een kerkgebouw op een gegeven moment kan worden gerenoveerd. Toch is dat allemaal relatief. Wat niet relatief mag zijn binnen onze gemeenschappen is menselijkheid en medemenselijkheid. Een christendom dat over lijken gaat, is geen christendom. Een christelijke geloofsgemeenschap waarbinnen mensen elkaar beliegen en bedriegen, waarin mensen elkaar niet tot steun zijn, maar juist elkaar naar het leven staan, verloochent zijn eigen ziel.

En nu naar onze eigen kerkgemeenschap… Al heel lange tijd kunnen wij niet meer bogen op grote aantallen. Onze katholieke kerkgemeenschap is klein geworden. We hebben in de Nederlandse samenleving aan belangrijkheid ingeboet. Dat heeft ons pijn gedaan. We waren liever groot en belangrijk gebleven. We hadden liever gehad dat we als kerk van grote invloed kunnen zijn in de samenleving. En ook als locale katholieke geloofsgemeenschap zijn we kleiner geworden: dat we vier jaar geleden gefuseerd zijn, is – u weet dat – niet uit weelde gebeurd. En toch… en toch moeten en mogen we niet teleurgesteld zijn. Als we Jezus Christus voor ogen houden, rond Wie we geloofsgemeenschap zijn, dan weten we ook van een goed fundament. Dan weten we ook van Zijn gebod: ‘Hebt elkaar lief’. En dan weten we ook dat echte medemenselijkheid vast onderdeel moet zijn van ons christelijk leven, zowel privé, als in de gemeenschap. Ach, en we weten het allemaal: waar mensen met elkaar samenleven, zijn irritaties en soms breken er ruzies uit. Dat is nu eenmaal zo. Maar medemenselijkheid overwint, als we met onze irritaties weten om te gaan en als we op een verstandige manier een einde maken aan ontstane onenigheid en ruzies. Menselijkheid en medemenselijkheid… als die er niet meer zijn in onze kerkgemeenschap, dan zijn we geen gemeenschap meer van volgelingen van Jezus. Want juist daaraan moet de buitenwacht ons kunnen herkennen.

AMEN.

­