­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

Beste zusters en broeders,
Eenzaam voelt iedereen zich wel eens. En het gekke van eenzaamheid is, dat dat vaak niets te maken heeft met het aantal mensen dat je om je heen hebt. Soms heb je totaal geen mensen om je heen, maar voel je je helemaal niet eenzaam. En vaak genoeg is het zo, dat er mensen in je nabijheid zijn en dat je je toch eenzaam voelt.

Eenzaam… die allereerste mens, Adam, voor wie God zijn tuin van Eden, het paradijs, aanlegde, voelde zich eenzaam. God had er alles aan gedaan om het hem naar de zin te maken. Maar toch miste hij iets. Inderdaad, wat heeft een mens te klagen, als hij in het paradijs mag wonen. Bomen met de heerlijkste vruchten eraan, en al Gods schepselen om je heen. Geen dier doet je kwaad in die eerste dagen van de Schepping, alles is nog met elkaar in harmonie.

Je mist iets, maar je weet niet wat. Zelfs God lijkt die eerste dagen van de Schepping niet op het idee te kunnen komen, dat die eerste mens niet iets mist, maar … iemand! Voedsel genoeg en genoeg dieren om je heen. Maar iemand met wie je echt samen kunt zijn, iemand met wie je echt je tijd kunt doorbrengen en aan wie je aanspraak hebt, dat had die eerste mens niet.

Eenzaamheid… die eenzaamheid van de eerste mens wordt opgeheven doordat God hem een vrouw geeft. U hebt het in de eerste lezing gehoord. En dit verhaal wil een soort uitdrukking zijn van het geloof dat het iets van God is, dat mensen, twee aan twee door het leven gaan. Daarmee is de eenzaamheid trouwens niet definitief opgelost. Immers: in een relatie zullen ook altijd momenten, langer of korter, blijven van eenzaamheid.

Afgelopen donderdag was het vier oktober: feestdag van Sint Franciscus. En Franciscus – hij leefde eind twaalfde, begin dertiende eeuw -ging niet met een levenspartner door het leven. In die zin koos hij ervoor om alleen te blijven. Maar ik denk wel dat het goed is om naar aanleiding van zijn feestdag te kijken hoe hij door het leven ging en hoe hij omging met de eenzaamheid in zijn leven.

Franciscus, ik heb het wel eens verteld: een echt rijkeluiszoontje. Enigst zoon, de oogappel van vader en moeder. En als enigst zoon werd hij danig verwend. Een slecht voorteken: alles wat hij maar wenste, werd hem door pa en ma op zijn bordje gelegd. Hij kwam niets tekort en kon de gekste streken uithalen. In zijn jeugd zette hij de bloemetjes buiten. Werd er ergens een feestje gegeven, dan was hij de gangmaker. Op een gegeven moment ging het hem tegenstaan. Al dat plezier omwille van het plezier, de lol om de lol: het kon hem niet meer boeien. Hij zocht iets anders. En hij voelde wel aan dat dat andere alleen gevonden kon worden in afzondering.

Dit verwende jongetje heeft zich bekeerd. Hij heeft een radicale wending aangebracht in zijn leven. En die bekering vond niet plaats van het ene op het andere moment. Nee, het was een heel proces.

Een heel belangrijk moment in die bekering was de ontmoeting met een melaatse. Franciscus reed op zijn witte paard door de bergen van Umbrië. En, zoals hij gewoon was, was hij tijdens zijn tochtje heel zorgvuldig uit de buurt gebleven van de melaatsenkolonie. Maar… zonder dat hij er erg in had, zat plotseling voor hem langs de weg een melaatse. Hij wilde nog rechtsomkeert maken, maar plotseling ging het door hem heen: ‘Nu is het erop of eronder!’ God wil dat ik deze melaatse werkelijk erken als broeder. En hij stapte van zijn paard af en omarmde de melaatse. En vanaf dat moment ging hij steeds beter begrijpen wat Christus ons in het evangelie voorhoudt.

Een ander moment is zijn ervaring in het kerkje van San Damiano. Dat kerkje was erg vervallen. Er was nog een heel oud pastoortje aan verbonden, maar die kon niet veel meer. Vele uren bracht Franciscus in dit Godshuis door, al biddend. En op een gegeven moment hoorde hij Christus vanaf het altaarkruis hem toespreken: ‘Franciscus, kijk eens om je heen: zie je niet dat mijn kerk in verval is? Ga en herstel mijn huis!’ En Franciscus deed zijn ogen open, keek om zich heen, en inderdaad, het was hem eigenlijk nooit zo opgevallen: dit kerkje was wel erg in verval. Hij trommelde een aantal vrienden op en samen begonnen ze dit kerkje te renoveren. Stenen werden aangesleept en cement werd aangemaakt. Later zou Franciscus gaan begrijpen dat Christus het eigenlijk niet had gehad over dit kleine kerkje, maar over de veel grotere kerkgemeenschap, die toen ook al met grote problemen kampte.

Franciscus verzamelt volgelingen om zich heen. Hij begrijpt dat, wanneer God roept, je veel beter met meerderen je roeping waar kunt maken, dan wanneer je alleen en eenzaam bent. Deze Franciscus heeft toen met zijn volgelingen een nieuwe elan in de kerkgemeenschap gebracht. Misschien is het nu aan ons om de handen nog meer ineen te slaan en niet meer alléén ons volgelingschap van Christus waar te maken, maar samen. God heeft ons geschapen niet voor het alleen-zijn, maar om samen door het leven te gaan. Dat betekent ook dat wij meer en meer in de kerkgemeenschap samen het leerling-zijn van Christus mogen beleven.

AMEN.

­