­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

Lezingen: Jeremia 31,7-9, ‘Ons leven op God betrekken’, Marcus 10, 46-52

Tweede lezing:  ‘Ons leven op God betrekken’
Als wij mensen – naar het voorbeeld van de vogels en de vlinders – ons leven op God betrekken; als wij in heel ons leven vol vertrouwen op God  betrokken zijn, verandert er wat. Wij kunnen vrolijker gaan leven. Wij kunnen meer plezier aan ons leven beleven. We kunnen meer vreugde in het leven scheppen. In het Zonnelied beleeft Franciscus alle schepselen als broeder en zuster. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last. Zoals we vandaag onze zorgen neer kunnen leggen, zo kunnen we dat morgen ook doen, en zo verder.
Er verandert wat in onze  kern, in ons hart. Als wij leven in betrokkenheid op onze medemensen, in betrokkenheid op onze medeschepselen, en als wij dit alles beleven in onze betrokkenheid op God, dan raken wij thuis in het hart van wat Franciscus voor ogen stond. En van harte betrokken raken, daar is het uiteindelijk allemaal om te doen:
ik raak betrokken
als de vogels opvliegen en kwinkeleren
als de vlinders zich verpozen op de bloeiende lelies
als de wolf rust naast het lam…

Overweging
Ooit nam ik deel aan een groepsbijeenkomst waarin aan de deelnemers werd gevraagd
om zich voor te stellen dat ze voor even een dier mochten zijn, en welk dier dat dan wel zou zijn? Ik weet niet waar het vandaan kwam, maar ik koos voor een vlinder. Ik zag mij even heerlijk door het leven vlinderen, zorgeloos en vrij, niet beseffend dat er ook vlinders zijn
die maar één dag leven. Maar ach, als vlinder is dat immers niet erg.

Naar het voorbeeld van de vogels en de vlinders kunnen ook wij ons leven vol vertrouwen
op God betrekken, zo hoorden we in de tweede lezing. Dat maakt ons vrolijker, geeft ons veel meer plezier en vreugde in ons leven. Ziet u zich al vrolijk vlinderend door het leven gaan? We kunnen er om lachen, dat deed ik toen ook. Dit nemen we toch niet serieus.
Maar gooi dit beeld niet te snel weg. Ons leven op God betrekken, hoe doen we dat?

‘Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last’, zo lezen we ook in deze lezing. En: ‘zoals we vandaag onze zorgen neer kunnen leggen, zo kunnen we dat morgen ook doen, en zo verder.’
Doen wij dat? Leggen wij aan het einde van de dag onze zorgen neer, en hoe doen we dat dan? Het lukt mij eigenlijk maar zelden, toch voel ik zeker aan hoe anders ons leven kan zijn, als we dat wel zouden doen.
Stelt u zich eens voor dat er altijd iemand is, bij wie we onze zorgen neer mogen leggen.
En dat niet alleen aan het eind van iedere dag, maar ook gewoon door de hele dag heen.
Er is zoveel waar wij niet uit komen, waar wij geen raad mee weten. Met ons beperkte zien,
kunnen we immers het totaal plaatje niet overzien.

Dit kan een veel te gemakkelijke oplossing lijken voor alles wat ons zo bezighoudt: ach, leg het maar bij God neer, dan ben je er van af. Werd dat destijds ook niet van ons katholieken gezegd, wanneer het over de biecht ging: jullie hebben het maar gemakkelijk, je legt al je zonden bij God neer, en je bent het kwijt. We voelen wel aan, dat het zo natuurlijk niet werkt.

Voor Franciscus was zijn betrokkenheid op God dé verborgen bron onder zijn betrokkenheid
op zijn medemensen en zijn medeschepselen. Vanuit die betrokkenheid op God was hij in staat om er te zijn voor alles en iedereen, die op zijn pad kwam. En dan vooral voor hen die lijden aan onze mensenwereld.

Waar wij ons leven op God betrekken is God de bodem onder ons bestaan. We denken vaak dat we dat zelf zijn, dat we onszelf overeind moeten houden. Wat geeft het een rust en ook vreugde waar we inzien dat dat niet hoeft; sterker nog, dat kunnen we niet eens.

Waar wij beseffen dat God de bodem is van ons bestaan, mogen we doen wat we kunnen. En elke dag onze zorgen neer leggen in de hoop op een nieuwe dag waarin ruimte is voor wat ons gegeven kan worden. We doen het immers niet alleen, maar in betrokkenheid op dat wat veel wijzer en groter is dan wij zijn.

‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!’ Als blinde kan Bartimeüs niet op een andere manier de aandacht van Jezus trekken dan door steeds harder te gaan roepen: ‘heb medelijden met mij, ontferm U over mij.’

Het is niet voor niets dat ook wij aan het begin van de liturgie Kyrië Eleison, Heer ontferm U, bidden of zingen. Misschien beleven we het niet altijd zo, maar het is als het ware een noodkreet, een roep om aandacht, om ontferming over alles wat in ons, en ook in onze wereld leeft. Pas dan kunnen we verder met de lofzang, en de rest van de liturgie.

De noodkreet van Bartimeüs wordt gehoord. Jezus zegt: ‘roep hem.’ En Bartimeüs springt overeind en werpt zijn jas weg. Hij laat als het ware zijn bescherming los, en komt bij Jezus zoals hij is: kwetsbaar en zonder masker. ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’, vraagt Jezus hem. Een open vraag die uitgaat van een diepe betrokkenheid op de ander: ‘wat kan ik voor je doen?’

Het antwoord van Bartimeüs luidt: ‘Rabboeni, -wat zoiets betekent als: ‘lieve leraar’-,
dat ik weer kan zien.’

Natuurlijk wil je als blinde graag weer kunnen zien, dat kunnen we ons levendig voorstellen. Maar letterlijk staat hier: ‘dat ik weer omhoog kan kijken.’ Daarmee wordt niet alleen uiterlijk zien bedoeld, maar ook opkijken naar de hemel, naar God. Bartimeüs wil niet alleen zien,
maar ook zien met Gods ogen, met de ogen van zijn hart.

Wat opvalt is dat alleen Bartimeüs een naam krijgt in dit verhaal. Degenen die hem afsnauwen blijven naamloos, al voelen ze zich nog zo gewichtig en verheven boven de blinde bedelaar.
En wat voor een naam. Bartimeüs betekent ‘zoon van de hooggeachte’. Misschien mag dat behalve zoon van Timeüs ook zoon van God, kind van God betekenen. En zijn wij dat niet allemaal?

Hoe is het om zo naar elkaar, en naar iedereen die we maar tegenkomen of van wie we horen, te kijken? Als kinderen van God, niemand uitgesloten, niemand minder dan de ander,
volkomen gelijkwaardig als we zijn. Misschien is dat wel wat Bartimeüs hier vraagt: Dat ik mezelf en daarmee iedereen mag zien als kind van God, als zoon of dochter van de Hooggeachte.
Waar wij zo naar elkaar kijken, is betrokkenheid nooit ver weg: ‘wat kan ik voor je doen?’ En tegelijk is het nog veel meer dan dat. Als zoon of dochter van de Hooggeachte zijn wij diep verbonden met God, zijn wij betrokken op God. Wat kan ons nog gebeuren, grotere veiligheid vinden we nergens anders!

Bartimeüs kon weer zien, en volgde Jezus op zijn weg. Laten ook wij dat blijven doen, in betrokkenheid op Hem, op elkaar en op allen die ons pad kruisen; als vlinders zo zorgeloos en vrij!

Amen.

­