­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

Lezingen: Hebr.9,24-28 en Mc.12,38-44.

Beste zusters en broeders,
Twee keer in mijn leven heb ik een reis gemaakt naar Israël. Twee keer in mijn leven was ik in Jeruzalem. En twee keer stond ik ten oosten van die stad op de Olijfberg en keek ik richting het westen naar het Tempelplein. Een prachtig gezicht. Als je dat eenmaal hebt gezien, vergeet je dat van je leven niet meer. Op dat Tempelplein, een enorm platform, staan nu twee moskeeën, maar tot 70 na Christus stond daar de Tempel. Iedereen die in die tijd Jeruzalem bezocht, was erg onder de indruk van de grootsheid van dit tempelcomplex.

In de tijd van het Oude Testament was ervoor gezorgd dat het heiligdom in Jeruzalem het centrale heiligdom werd van het Jodendom. Aanvankelijk waren er elders ook tempels en heiligdommen, maar die werden in de loop der tijd gesloten ten gunste van dat ene godsdienstige centrum te Jeruzalem. Wel werden er overal synagoges gebouwd, een soort joodse gebedshuizen. Wekelijks kon daar de joodse bevolking samenkomen om samen te bidden en samen te lezen in de heilige geschriften. Maar…deze gebedshuizen waren geen tempels, er werd niet geofferd.

Ja, maar waarom zit ik dit nu eigenlijk allemaal te vertellen. Dat doe ik, omdat in de Hebreeënbrief – u hebt een stukje van die brief gehoord in de eerste lezing – die hele eredienst in de Tempel een belangrijke rol speelt. En dan komt daar ook de hogepriester aan de orde. Toèn binnen het Joodse volk een godsdienstig-politieke leider. Hij had natuurlijk heel veel taken, maar de allerbelangrijkste taak was om één keer per jaar in de Tempel het allerheiligste binnen te gaan. Dat was op Grote Verzoendag. Niemand, behalve dan de hogepriester op die belangrijke dag, mocht dat deel van de Tempel ooit betreden. De Tempel die door het jaar heen verontreinigd was geraakt door de zonden van de mensen moest gereinigd worden en opnieuw aan God worden toegewijd. Bovendien moesten alle zonden die begaan waren door de leden van het Godsvolk worden verzoend. De hogepriester moest dat door allerlei ingewikkelde rituelen bewerkstelligen. Hij stond tussen God en mensen in. De hogepriester moest de mensen weer bij God brengen en hij moest God weer bij de mensen brengen. De brug tussen God en mens, kun je zeggen, moest hersteld, en de hogepriester moest die herstelwerkzaamheden verrichten.

En nu zegt de schrijver van de Hebreeënbrief: onze hogepriester is Jezus Christus. En Hij is niet een materiële tempel binnengegaan om onze zondes voor God te brengen, nee, hij is de hemel binnengegaan om onze zaak voor God te bepleiten, met andere woorden, om voor ons een goed woordje te doen. Hij is naar de Vader gegaan om ons menselijke bestaan, met al zijn hoogte- en dieptepunten, met al zijn falen, voor God te brengen. Die hogepriester uit het Jodendom heeft zijn functie verloren. Overigens is het waarschijnlijk dat deze Hebreeënbrief geschreven werd toen de Tempel van Jeruzalem al verwoest was. Die hogepriester heeft geen functie meer, maar Jezus heeft het – kun je zeggen – van hem overgenomen en is voor ons de brug naar de Vader.

Een brug naar de Vader, een brug naar God, maar dat veronderstelt wel dat die brug heel is. Is de brug onderbroken of kapot, dan kom je niet aan de overkant. In het evangelie horen we Jezus waarschuwen voor de schriftgeleerden, in het toenmalige Jodendom een belangrijke groep, die zich bezighield met de studie van de Joodse Bijbel. Deze schriftgeleerden hadden zich blijkbaar een bijzondere status verworven, waar ze graag gebruik van maakten. Maar Jezus wijst op hun ambivalentie. Binnen de joodse godsdienst hadden ze in zekere zin de functie van brug te zijn naar God, maar in plaats van tevreden te zijn met hun taak, zijn ze uit op het verzamelen van voorrechten en gaan ze zich te buiten aan onrechtmatige uitbreiding van hun bezit. In het evangelie horen we: ‘ze slokken de huizen der weduwen op’. Weduwen zaten met dat ze hun man waren verloren aan de grond, en dan komen die zogenaamd vrome schriftgeleerden, en met allerlei trucage pikken ze voor zichzelf de huizen van die vrouwen in. Schande! Het gedrag van de schriftgeleerden is niet in overeenstemming met de functie die ze hebben. Hun gedrag is zo aanstootgevend dat ze geen brug meer kunnen zijn naar de Vader, maar in plaats daarvan struikelblok zijn geworden. Jezus beschrijft hier de valkuil van elke groep die binnen een geloofsgemeenschap een essentiële taak heeft bij de geloofsoverdracht. En dan gaat het bij ons in de kerk in de eerste plaats  over bisschoppen, priesters, pastoraal werkers en werksters. Hun leven zou so wie so in overeenstemming moeten zijn met Jezus’ Blijde Boodschap. Maar ook de gelovigen die niet bij deze bijzondere groepen horen, hebben de taak hun leven in overeenstemming te brengen met Jezus’ boodschap. Immers: niet alleen pastores hebben de taak voor anderen de brug naar God te zijn. Iedere gelovige heeft deze taak. Voor elkaar kunnen wij brug naar God zijn.

’t Is niet toevallig dat de evangelist direct na Jezus’ waarschuwing voor de farizeeën het verhaal vertelt over de arme weduwe die haar twee penningen in de offerkist gooit. De farizeeën zijn ambivalent, gaan prat op hun status, en verliezen hun eigenbelang nooit uit het oog, ook wanneer het ten koste gaat van anderen. Maar deze arme weduwe is ‘zuiver van hart’, haar leven is echt in overeenstemming met haar geloof. Deze arme weduwe wordt door Jezus (onverwacht) aangewezen als brug. Door haar zuiverheid van hart en haar bereidheid zichzelf te geven is zij een brug naar God toe.

Jezus moet zijn leerlingen wijzen op deze arme weduwe. ‘Wie van al die mensen die je langs hebt zien komen, heeft het meeste gegeven?’ Ja, dat weten ze allemaal wel. De een had iemand gezien die vijftig euro in de offerkist had gedaan. Een andere apostel wist daarover heen te bieden en had iemand er honderd euro in zien doen. En er zal er ook wel één geweest zijn die had gezegd: ‘Maar ik heb er één gezien die er wel duizend in deed’. Die arme weduwe met haar twee stuivers had niemand opgemerkt. Jezus opent hun de ogen. En zo laat Hij zijn leerlingen, maar ook aan ons zien dat die mensen voor jou brug naar God kunnen zijn, die je tot dan toe over het oog hebt gezien.

AMEN.

­