­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

Lezingen:1 Koningen 17, 10-16 en Marcus 12, 38-44

Het komt weleens voor dat ik na een gesprek met iemand toch een wat onbevredigend gevoel heb, en mezelf de vraag stel:
‘had ik nou echt niet meer kunnen doen, had ik deze persoon niet meer kunnen aanreiken
dan alleen een luisterend oor.
Heb ik wel alles gegeven wat er mogelijk was?’

Misschien herkent u dit.
We willen iemand graag helpen, maar weten er ook niet zo goed raad mee.
‘Heb ik wel genoeg gedaan?’, is dan een vraag die we waarschijnlijk allemaal weleens tegenkomen.

Kritisch kijken naar ons eigen handelen is op zich helemaal niet slecht.
Anders wordt het wanneer zo’n vraag ons gaat verlammen, veel schuldgevoelens oproept,
en ons het gevoel geeft dat we voortdurend tekort schieten.
Er is waarschijnlijk niets dat ons zo in de greep kan houden als het gevoel dat we niet goed genoeg zijn, dat we niet zijn zoals van ons verwacht mag worden.

Niet goed genoeg..
Wanneer we de beide lezingen van vanmorgen horen, kan dat gevoel ons ook bekruipen.
In beide lezingen is sprake van een arme weduwe die alles weggeeft wat zij heeft,
alles waar zij van leven moet. In het evangelie prijst Jezus de arme weduwe.
Als we niet oppassen kan dit uitgroeien tot een dwingende moraal: je bent pas een goed mens wanneer je alles wat je hebt, durft weg te geven.
Ziet u het uzelf al doen? Alles weggeven wat we hebben?
Waarschijnlijk is onze reactie dan: dat gaat ons veel te ver. Zo’n levenshouding: daar kunnen wij nooit aan tippen. Maar bovendien is het heel onverstandig. We moeten zelf toch ook leven.
Wat kan - en dan letterlijk ‘in Godsnaam’-, de betekenis zijn van deze beide lezingen?

Laatst liet iemand mij een brief zien van een instantie die probeerde geld in te zamelen voor een goed doel. We krijgen waarschijnlijk allemaal regelmatig dat soort brieven. Maar deze  brief was een herinnering.
Een herinnering aan dat er via een eerdere brief al eerder om geld was gevraagd, maar daar had de betrokken persoon niet op gereageerd. Vandaar deze herinnering!
Hoe dwingend willen we het hebben.
Zo’n brief kan naast boosheid toch ook weer een schuldgevoel oproepen: had ik dan toch iets moeten geven?

Ik geloof absoluut niet dat deze beide Bijbelverhalen bedoeld zijn om ons een schuldgevoel te bezorgen. Integendeel, de kern van deze verhalen zit dieper.
Onder de muntjes en het brood zit een diepere boodschap.
We zien hier twee vrouwen die alles kwijt zijn. Ze hebben hun geliefde al verloren. Nu geven ze ook nog eens hun levensonderhoud weg. De beide vrouwen geven alles wat ze bezitten.
Ook de rijken lieten geld in de offerkist vallen. Veel meer dan de arme weduwe. Ook zij geven van wat ze hebben. Maar zij geven niet álles.
En álles geven, dat is echt iets anders dan veel geven.

Alles weggeven is eigenlijk jezelf geven! En wie zichzelf durft te geven, is ook niet bang meer iets te verliezen, en zit eigenlijk nergens meer aan vast.
De angst alles te verliezen maakt plaats voor innerlijke rust en vrede!

Dat is de diepere boodschap die de twee vrouwen voor ons hebben.
Met andere woorden: probeer niet zo krampachtig vast te houden aan dingen waarvan je denkt dat die je toekomst veilig stellen. Dus toch maar heel ons bezit weggeven dan?
Nee, daar gaat het niet om. Door deze verhalen mogen we ons bewust worden van wat geld en bezit voor ons betekenen. Welke veiligheid ze ons bieden. En natuurlijk is dat zo,
maar het is tegelijk een veiligheid die heel kwetsbaar is, en die we ook gemakkelijk weer kunnen verliezen.

Er is een veiligheid die we niet kunnen verliezen. Een veiligheid die niets te maken heeft
met wat we hebben, en wat we bezitten in deze wereld.
Wij zijn geborgen in Gods liefde, en dat, en dat alleen geeft ons échte veiligheid. Maar daar kunnen we niet van leven, zie ik u denken. Is dat zo, of denken we dat alleen maar?

Vanuit Gods liefde gezien, zijn we allemaal gelijken van elkaar, wie of wat we ook zijn. Dan is het niet meer: jij arme drommel, ik ben zo goed om jou van mijn overvloed te schenken;
of: ik zal jou helpen want jij bent zo zielig.

Wanneer we elkaar zien als gelijken, wordt geven en ook ontvangen iets heel natuurlijks. Iets wat heel vanzelfsprekend is, want ik herken mij in jou! En waar ik naar verlang, verlang jij immers ook naar.

In het nieuws hoorden we hoe een karavaan van Midden-Amerikaanse vluchtelingen, vooral Hondurezen, op weg is naar de Verenigde Staten.
Ik las in een krant een artikel over hoe ze aan de Mexicaanse grens door vrijwilligers worden voorzien van water en wat te eten. Ook de mensen daar zijn arm, maar ‘we geven wat we kunnen’, zo stond er in dit artikel.

Dit is natuurlijk een levensgrote problematiek die je niet zomaar even oplost.
Maar wat is het sturen van het leger naar de grens met Mexico, zoals de president van de Verenigde Staten deed om het land te verdedigen tegen deze karavaan van migranten, dan een schril contrast.

Het is vandaag 11 november, het feest van Sint Martinus, Sint Maarten.
De heilige die zijn mantel in tweeën sneed, en deelde met een arme bedelaar. Een mens, net als hijzelf, verlangend naar liefde en warmte.
Waar we zo naar elkaar en ook naar onszelf kijken, zullen we doen wat we kunnen, geven van wat we hebben zonder daarbij onszelf tekort te doen.

Durven we het aan om net als de beide weduwen alles te geven, onszelf te geven. Uiteindelijk kunnen we niets verliezen. We zijn immers al geborgen en veilig voor altijd!

En wanneer ik na een gesprek zou willen dat ik meer had kunnen doen, weet ik: ook Gods liefde is daar aanwezig. En dat is genoeg, meer dan genoeg!

Amen

­