­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

De vieringen van pastor De Boer van dit weekend omvatten een rite van boete en verzoening. Dit isterug te lezen in de overweging.

Lezingen: Baruch 5, 1-9 en Lucas 3, 1-6

Ik voel me als een roepende in de woestijn.
Misschien zullen we deze woorden niet zo snel gebruiken, maar we weten allemaal wat daar bedoeld wordt. Het lijkt alsof niemand naar ons wil luisteren.
Alsof al onze goede raad, al onze goede bedoelingen in de wind worden geslagen, en niet aankomen. Dat kan een heel eenzaam gevoel geven, alsof niemand begrijpt wat we bedoelen, alsof wat we zeggen er totaal niet toe doet.

Is dat ook wat Johannes overkomt?
In het evangelie wordt hij neergezet als een roepende in de woestijn. Daar roept hij op tot bekering.
Zouden wij ons moeten laten gezeggen door zo’n vreemd figuur?
Johannes bevindt zich in de woestijn. Dat lijkt een plek ver weg van alle drukte en alle onrust van het leven. Een plek zonder enige afleiding. Johannes heeft zich uit alles teruggetrokken. Heeft hij niet gemakkelijk praten vanuit zijn woestijn?

Niet als we beseffen dat woestijn stof is, en droogte, hitte, dor en onvruchtbaar. Woestijn is de plek waar het leven moeilijk en soms bijna onmogelijk is.
Op de weg die we gaan in ons leven, kunnen we soms het gevoel krijgen, dat we in een situatie zijn beland die veel weg heeft van ‘een woestijn’. Een plaats waar we wanhopig zoeken naar de zin van wat gebeurt. Een plek waar je je van God en iedereen verlaten kunt voelen. Waar je misschien alleen nog maar vertwijfeld kunt roepen: ‘God, waar bent u in vredesnaam’..

Een stem roept in de woestijn: ‘bereidt de weg van de Heer ’. De woestijn is hier zeker geen toevallig gekozen plek. Juist daar waar niets meer mogelijk lijkt, klinkt de oproep om voor God een weg te bereiden. Dáár zoekt God ons op, daar wil Hij met ons zijn, in onze woestijn.

Onze woestijn.
De woestijn in onze wereld, met alles wat daar gebeurt, waar we geen raad mee weten, alles wat ons zo’n machteloos gevoel geeft: de eindeloze stroom vluchtelingen uit Honduras
in tentenkampen in de modder bij de grens met Mexico de alsmaar groter wordende klimaatveranderingen.
De woestijn ook in ons eigen hart, waar het dor kan zijn en droog, waar wantrouwen woont. Verlaten gebieden in onszelf waar we amper durven te komen. Waar we elkaar verlaten en in de steek laten. Waar het soms niet te harden is door jaloezie, afgunst en onbegrip.

‘Bereid de Heer een weg in de woestijn’. Dáár wil God zijn, in onze woestijn. Niet om die zo snel mogelijk te verlaten, maar om er met ons te zijn, zolang als nodig is.
We kunnen kiezen. Om alléén in die woestijn te blijven, in de verlatenheid. Of God in onze woestijn, toe te laten, een plaats te bereiden.

‘Een weg bereiden voor God’. Maar hoe dan? Johannes spreekt over bekering. Bekeren is: jezelf in de goede richting zetten, op een andere manier gaan kijken. Is het mogelijk om alles in onze woestijn met andere ogen te gaan zien: zonder oordeel, zonder verzet. Dat wil niet zeggen dat we alles goedkeuren, maar wél dat we alles ‘nemen’ zoals het komt, en accepteren dat het er op dat moment is, zonder ons daartegen te verzetten. Dat geeft zoveel ruimte.

Ruimte om opnieuw te kijken naar wat er speelt,  ruimte ook voor vergeving. Het zijn vaak ook onze schuldgevoelens, en onze wrok naar een ander, die ons in een woestijn doen belanden. Kunnen we daar ruimte omheen maken, door het eerst te laten zijn wat het is, en ons mogelijk te openen voor vergeving.

Vergeving ontvangen en vergeving schenken, ze horen bij elkaar.
Wanneer we een ander vergeven, is dat zonder meer ook een geschenk wat we aan onszelf geven.
Ergens leeft in ons het idee dat we Gods vergeving moeten verdienen.
We moeten eerst veranderen, ons bekeren, en pas dan volgt er vergeving.
Dat legt een enorme druk op ons, want wanneer doen we het goed.

Ik geloof dat Gods vergeving, zijn onvoorwaardelijke acceptatie van ons aan alles vooraf gaat, die is er. We kunnen nooit uit Gods handen vallen.
En juist dat geeft ons de ruimte om te kijken naar onze fouten, om niet bang te zijn voor onze schaduwkanten. Bekering is kijken naar wat er is, zonder oordeel erkennen en aan het licht brengen wat in ons leeft. Je hoeft niet sterker te zijn dan je bent, niet meer van jezelf te vragen dan je kunt.

We kunnen ons bekeren, juist ómdat we ons vergeven weten.
Wanneer we dit diep tot onszelf laten doordringen, is dit ongelooflijk bevrijdend.
Onze wereld verandert daarmee natuurlijk niet meteen. Het kwaad ontkennen, en net doen alsof het er niet is, daar gaat het natuurlijk niet om. En ook vergeven blijft iets wat vaak verschrikkelijk moeilijk voelt.

Maar wanneer we durven geloven, dat Gods vergeving aan alles vooraf gaat, dat er onvoorwaardelijk van ons wordt gehouden, dan gaan we wel anders kijken: naar onszelf, naar die ander en naar onze wereld.
Laten we luisteren naar Johannes. Misschien zien we dan wel dat prachtige beeld uit het evangelie: kronkelpaden die recht worden, ruwe wegen die ineens begaanbaar blijken!
Een wereld die zich vergeven weet, zal uiteindelijk, hoe dan ook, Gods redding gaan zien.

Amen.

­