­

We hebben iets...
voor jou en voor jou
en voor jou

agenda 5a

Door de droogte van de afgelopen zomer heeft mijn Jasmijn het begeven. Op zoek dus in het Tuincentrum naar een nieuwe. Ik wist niet wat mij overkwam. Met winkelwagentje kwam ik in een enorme ruimte, stikdonker, maar verlicht door duizenden lichtjes en kerstballen in schitterende kleuren, waar massa’s mensen fotograferend rond schuifelden. Op de achtergrond zoete kerstklanken.

Geen simpele Jasmijn te vinden. We vieren Kerstmis steeds uitbundiger, nu in 2018. Honderd jaar na die verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog, waar wij zo weinig bij stilstaan. In 1914 was mijn moeder 10 jaar, en woonde samen met haar moeder, mijn bonne maman, in Verviers, 30 kilometer onder Luik. Daar werd in de zomer van 1914 de Dicke Bertha ingezet, een Duits kanon met een verwoestende vuurkracht.

Hoe zouden die twee zich Kerstmis 1914 hebben herinnerd? Vlakbij was inmiddels een gruwelijke loopgravenoorlog begonnen die vier jaar zou duren. Wat herinner ik mij van Kerstmis toen ik 10 jaar was? Eigenlijk alleen maar de bedwelmende geur van de kerstboom in de kamer, de bomvolle kerk midden in de nacht, de eindeloze nachtmis, en natuurlijk het Stille Nacht. Geen idee wat ik toen geloofde en verwachtte. Waarschijnlijk nam ik het hele Kerstverhaal voor kennisgeving aan.

Wat verwacht ik nu van Kerstmis, nu ik wel klaar ben met kerstsfeer en kerstballen? Terwijl op de velden van Vlaanderen duizenden jonge kerels sneuvelden, crepeerden ongehoorde aantallen in de loopgraven. Maar op 25 december 1914 gooiden Duitse en Engelse soldaten de wapens in de loopgraven neer, en vierden Kerstmis, Vrede op aarde. Het werd daarna alleen nog maar erger, maar toch.

Dit gedichtje schreef een Canadese legerarts, uitkijkend over de bloeiende klaprozen op de graven van al die doden:

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,

Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond
Wij zijn de doden. Zo-even leefden wij.

Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houd hem hoog. Weest gíj de helden. Laat de doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open

In zovele Vlaamse velden.

vertaling van Tom Lanoye

klaprozen

In de oproep van al die doden wil ik horen, dat Kerstmis toch niet voor niets gevierd werd.

Frans Osseweijer

Submit to FacebookSubmit to Twitter
­